Borg Thedema

Uit Historie Nietap-Terheijl
Ga naar: navigatie, zoeken

Toen Wigbolt van Ewsum zich in 1525 op Nienoord vestigde stond hem een duidelijk doel voor ogen. Hij wilde zijn bezittingen vanuit Vredewold uitbreiden met het oog op de turfwinning. Bij de uitvoering van dit plan kregen hij, en later zijn weduwe Beetke van Rasquert en hun kinderen, niet alleen te maken met de monniken van Terheijl. Zij moesten ook rekening houden met een andere buurman. Op enkele honderden meters van Nienoord, aan de Drentse kant van de Leecke, stond namelijk de borg van de rijke burgemeestersfamilie Thedema, afkomstig uit de Ommelanden. De Thedema's hadden zich daar al omstreeks 1450 gevestigd, eveneens met het doel hun grondgebied uit te breiden.

Tekening van J. Stellingwerf van Thedema in 1622.

Mogelijk heeft Johan Thedema, geboren te Groningen in 1420, die afwisselend burgemeester van de stad Groningen en lid van de Hoofdmannenkamer is geweest in de periode 1456 tot 1488, het huis laten bouwen. Dankzij een tekening van J.Stellingwerff uit 1622 is bekend hoe de borg eruit heeft gezien. Stellingwerff heeft het huis opgenomen in de reeks van Groninger Ommelander borgen, hoewel het op Drents grondgebied stond. Waarschijnlijk omdat het een Ommelander familie betrof heeft hij dit 'grensgeval' in de reeks opgenomen. Op de tekening zijn boogfriezen en geveltempels te zien. Dit zijn stijlmerken van de Noordduitse gothiek, die omstreeks 1450 in de stad Groningen werd geïntroduceerd. Het huis was omringd door een gracht en in de buurt van het Leekstermeer werd een dijk aangelegd, dit ondanks protesten van boeren uit het naburige Foxwolde, die wateroverlast vreesden.

Het steenhuis stond niet op de plaats van het tegenwoordige Thedemahuis aan de Thedemalaan, maar achter de huizen die nu genummerd zijn als J.P.Santeeweg 12-14, op een met grachten omringd stuk grond. De ingang naar het steenhuis lag op de plaats van het huidige perceel J.P.Santeeweg 14, zoals op een plattegrond uit omstreeks 1805 nog duidelijk zichtbaar is.

Er zijn documenten die aantonen dat aan het einde van de 15e eeuw de familie Thedema een steeds grotere invloed kreeg in het gebied rond Roden. Zo kreeg de zoon van Johan Thedema, ook Johan geheten, in 1492, met de Abt van Aduard en de heren De Mepsche en Van Ewsum, het toezicht op het kappen van hout in het Noordholt van Roden opgedragen. In de jaren 1550-1568 was het steenhuis eigendom van Johan Thedema, een kleinzoon van de eerder genoemde Johan. Hij was getrouwd met Eemke Tamminga en ook burgemeester van Groningen.

In 1559 kwam het tot een conflict toen Wigbolt van Ewsum Sr. het Leekster Hoofddiep liet graven dwars door de grond van Thedema. Thedema kon daar weinig tegen doen want het stuk land viel binnen het gebied waar Wigbolt grietman was. De grietman sprak in het gebied van zijn grietenij recht in civiele en criminele zaken. Dat betekende in feite dat, als het tot een proces was gekomen, Wigbolt zelf de uitslag in handen had gehad en deze waarschijnlijk in zijn voordeel had laten uitvallen. Wel werd Thedema schadeloos gesteld met veengronden en mochten hij en zijn meier, de boer Johan Lippynghe vrij gebruik maken van de nieuwe brug over het Leekster Hoofddiep. In de tijd van Lippynghe werd de borg ook wel Lippynghehuize genoemd.

Later hadden de Thedema’s onmin met Beetke van Rasquert, de weduwe van Wigbold van Ewsum van Nienoord, over het toeëigenen van grond en met Beetkes zoon Wigbolt II van Ewsum over het afgraven van veen. Van goede onderlinge verhoudingen tussen de adellijke families was allerminst sprake. Er waren voortdurend twisten in de omgeving van Nietap, Leek en Roden, die vooral gingen om bezit en macht. Johan Thedema overleed op 29-01-1592 te Groningen. Zijn weduwe, Eemke Tamminga, woonde in 1603 te Nietap. Zij had drie kinderen, Johan, Anna en Jeije.

In het boek 'Leekster schans, een schakel in een keten', geeft G. Hadders aan dat het huis Thedema omstreeks 1600 vooral uit militair oogpunt weinig waarde had. Dit type steenhuis, dat ook elders in het Westerkwartier was gebouwd, bood onvoldoende bescherming tegen de nieuwe vormen van bewapening.

Toen in 1626 de kloosterbezittingen van Terheijl werden verkocht probeerde Johan Thedema deze aan te kopen. Ondanks protesten van Johan Thedema werd de koop gegund aan Casper van Ewsum van de Nienoord. Al zijn argumenten, bijvoorbeeld dat hij markegenoot was en tevens naaste buurman met aangrenzende landerijen, werden terzijde geschoven. Het feit dat de Thedema's katholiek waren en niet aan de Staatse zijde stonden heeft hen waarschijnlijk verder geïsoleerd. De invloed van de Van Ewsums is al vrij snel veel groter geworden dan die van de Thedema's.

De laatste Thedema, eveneens Johan, is vóór 1638 kinderloos overleden. In dat jaar werd de nalatenschap van Johan, zijn moeder Eemke Tamminga en van zijn zuster Anna Thedema verdeeld onder de kinderen van zijn zus Jeije, weduwe van Remmert van Berum uit het Ommelander geslacht Van Berum. Remmert was overleden in 1606. Volgens de akte van scheiding van 29-10-1638 erfden de twee kinderen van Jeije het stadhuis te Groningen en het steenhuis te Nietap. Zoon Onno van Berum erfde het stadhuis in de Heerestraat te Groningen en zijn broer Wilhelm van Berum, getrouwd met zijn tweede vrouw Frouke Veronica Jarges en wonende te Leek, werd eigenaar van het steenhuis met bijbehorende landerijen en huizen te Nietap. Het steenhuis werd toen omschreven als:

'het huis ‘De Lieke’ genaempt met dat schathuis ende schuire,
 grafften en cingelen, bomen ende plantagien, als oock de ackers daer
 ommeliggende met noch naebeschreven hoylanden'.

In de akte waarin deze erfenis staat beschreven wordt ook gesproken van een stuk land 'De Hongercamp'. Deze grond lag aan de Drentse kant van De Leecke en werd begrensd door de Nietapster Ryth. De naam 'Hongercamp' is de verbastering van de uitdrukking 'hongarenkamp' en was ontstaan in de tijd, vermoedelijk de tweede helft van de 16e eeuw, dat er een groep zigeuners op deze grond verbleef. Deze mensen kwamen uit de Donaulanden en vooral uit Hongarije. Zij verbleven bij voorkeur in de buurt van een grensovergang omdat zij in geval van vervolging konden vluchten naar het gebied met de voor hen meest gunstige rechtsorde. Deze verschilde namelijk per provincie.

De Van Berums zouden het huis te Nietap tot aan de sloop omstreeks 1730 bezitten. Wilhelm van Berum overleed in 1658 en in 1665 werd zijn nalatenschap onder zijn kinderen verdeeld. Het steenhuis te Nietap kwam toen in het bezit van zijn onnozele zoon Berend Jan van Berum. Hij was niet in staat zijn goederen zelf te beheren en hij kwam onder curatele te staan van zijn zwager Ernst van Ewsum van huize de Mensinghe in Roden. Ernst was in 1664 met Wilhelm van Berum's dochter Everarda Johanna getrouwd.

Na de dood van Ernst in 1696 werd Berend Jan van Berum onder curatele gesteld van zijn neef Titus van Ewsum, de oudste zoon van Ernst en Everarda. Tot aan zijn dood in 1721 sleet Berend Jan als inwonende bij Titus zijn jaren. De 8 kinderen van Ernst van Ewsum en Everarda: Titus, Balthasar, Onno, Remmert, Anna, Veronica, Geertruid en Willem van Ewsum, waren zijn erfgenamen. Hun ouders Ernst van Ewsum en Everarda Johanna van Berum waren respectievelijk op 31 december 1696 en op 27 februari 1700 overleden. Zo kwam het landgoed Thedema in handen kwam van de Roder tak van de familie Van Ewsum.

Het steenhuis was inmiddels sterk verwaarloosd en vermoedelijk hebben de erven van Ernst van Ewsum omstreeks 1730 besloten tot de sloop. Het verloop van het oude borgterrein en delen van de oude grachten zijn echter nog tot op heden terug te vinden achter de huizen aan de J.P.Santeeweg. De oud Nietapster Douwe Franke, destijds wonende aan de J.P.Santeeweg 51, had tijdens zijn leven deze grond als tuin in gebruik en de omliggende gracht was bij winterweer een prachtige ijsbaan voor de Nietapster jeugd.

Op een in opdracht van ‘Sijn Hoogheit den Heer Prince van Orange’ omstreeks 1745 getekende plattegrond van Leek en Nietap wordt het stuk grond waarop het steenhuis heeft gestaan omschreven als ‘Eewsums Staate geslegt’. De grond en de boerderijen, die tot het steenhuis behoorden, werden na 1730 nog wel door de Van Ewsums verpacht.

In het begin van de 18e eeuw, toen het dorp Nietap tot ontwikkeling kwam, hebben de eigenaren van Nienoord ook veel meer aan gronduitbreiding gedaan dan die van huize Thedema. De familie Van Ewsum en later ook Von Inn und Knipphausen hadden daarbij het grote voordeel dat zij niet alleen Nienoord en Terheijl in eigendom hadden, maar ook nog een relatie hadden met de havezathe Mensinge in Roden, waar ook een tak van Van Ewsum woonde.

Vermoedelijk zijn deze ontwikkelingen van invloed geweest op de waarde die de verschillende eigenaren van Thedema aan het huis hechtten. Zij hebben in ieder geval nooit de status van havezathe aangevraagd.

==Bronnen==
Bron(nen):