Uithof ter Helle

Uit Historie Nietap-Terheijl
Versie door Admin (overleg | bijdragen) op 16 feb 2013 om 20:00
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

Het moerassige gebied rondom het Leekstermeer was vroeger omgeven door grote wouden. Namen als Midwolde, Leutingewolde, Foxwolde en Roderwolde geven dat nog aan. Vlak voorbij de grens met Drenthe, ten zuiden van het riviertje De Leecke, hadden de monniken van het Cisterciën klooster van Aduard een stuk hoogveen in eigendom waar vanaf 1200 turf werd gegraven.

Monniken aan het turfsteken. Schilderij van Geert Schreuder. Foto Veenkoloniaal Museum Veendam.

De uithof die de monniken daar stichtten werd Ter Helle (later Ter Heyl of Terheijl) genoemd en volgens de overlevering vooral bewoond door monniken die de kloosterregels hadden overtreden. Als boetedoening moesten zij onder barre omstandigheden het zware turfstekerswerk doen. Het ligt voor de hand om de naam 'Ter Helle' hiermee in verband te brengen, want ongetwijfeld kwamen de kloosterlingen vanuit het welvarende Aduarder klooster in een 'hel' terecht. Deze tijd diende hun echter 'tot heil' hetgeen een tweede, maar minder aannemelijke, uitleg is van de naam. Het meest waarschijnlijk is echter dat 'Ter Helle' ontsproten is uit het oud-friese woord 'helle', dat merkwaardigerwijze zowel hoge, droge als ook lage en diepe plaats betekent. Beide betekenissen zijn op Terheijl in zekere zin van toepassing. Terheijl was, temidden van moerassen, een relatief hoge, droge plek maar lag laag ten opzichte van Aduard en omgeving.

In de loop der eeuwen groeide Terheijl uit tot een druk en levendig oord. Belangrijk was de samenwerking met de steen- en pannenbakkerij in het naburige Foxwolde, waar in de grond op grote schaal potklei aanwezig was. Deze steenbakkerij aan het Peizerdiep viel binnen de marke van Roden. Door de volmachten van deze marke (vertegenwoordigers van de eigenaren) werd het 'tichelwerk' bij herhaling voor dertig jaar verhuurd aan het klooster van Aduard, dat zelf ook een aandeel in de marke had. Vanuit Terheijl werd de turf aangeleverd die nodig was voor het stoken van de ovens waarin de stenen werden gebakken. Nog altijd zijn in het landschap de kleidobben te herkennen en herinnert een boerderij met de naam 'Tichelwerk' aan deze steenbakkerij.

Buitenverblijf

Aan het einde van de 15e eeuw werd bij Terheijl een kapel gebouwd en een park aangelegd. Toen was er al lang geen sprake meer van een verbanningsoord maar veel meer van een buitenverblijf waar rust voor bezinning kon worden gevonden.

Onder Godefridus van Arnhem, van 1549 tot 1574 de 31ste abt van Aduard, werd er een groot nieuw gebouw neergezet, waarbij hij een prachtige tuin liet aanleggen. Het bijna vierkante huis bestond uit twee beuken van ongeveer 9 x 12 meter en een achtkantige traptoren in het midden. Het telde twee verdiepingen, had topgevels en lag onder een zadeldak. Bij dit nieuwe huis paste niet langer de oude naam, Terheijl werd 'Paradijs'.

Godefridus gaf opdracht om in de kapel een nieuw altaar te bouwen en de wanden te versieren niet schilderijen. Als onderwerp voor deze schilderijen koos hij de Sibyllen en de voorspellingen van de Sibyllijnse orakels. Dat Godefridus niet koos voor bijbelse voorstellingen is niet zo vreemd als het lijkt. Hij was een aanhanger van de humanistische stroming en had grote belangstelling voor de oudheid. De Sibyllen waren profetessen uit de oudheid, die in hun orakels de heilseeuw van Christus hadden voorspeld. Er waren in totaal 12 Sibyllen, die allen een symbool met betrekking tot Christus bij zich droegen. Vooral in de Renaissance werden zij veel in kerken afgebeeld. De bekendste voorbeelden zijn de schilderingen van de Italiaanse schilder Michelangelo in de Sixtijnse Kapel te Rome.

Op grond van oude beschrijvingen van de Sibyllen kan met de nodige fantasie een voorstelling worden gemaakt van wat er op de schilderijen in de kapel van Terheijl te zien moet zijn geweest. Vast was er een afbeelding van een Sibylle met een waskaars die de komst van Jezus aankondigde en van een Sibylle met een kribbe als symbool van Christus' geboorte. Of ergens nog een aantal van deze schilderijen is bewaard is niet bekend. Wel is zeker dat de kapel in die tijd een indrukwekkende en sfeervolle plaats moet zijn geweest. Het was Godefridus echter niet gegund zijn laatste jaren in rust op Terheijl te slijten. In Aduard wisselden interne onrust en rampen elkaar af, wat Godefridus in 1574 deed terugkeren naar Aduard.

Veengeschil

In 1550 ontstond er tussen de kloosterlingen en de boeren van Vredewold een geschil over de grens tussen beide provincies. Beide partijen meenden recht te hebben op de uitgestrekte veengronden in het grensgebied. De Drenthen meenden dat de grens liep langs de rivier De Leecke, de Vredewolders meenden dat de grens zuidelijker lag en werd gevormd door 'de Zwarte Ryth' (niet te verwarren met de Zwarte Ryth die bij Zevenhuizen de grens aangeeft tussen Groningen en Drenthe), een stroompje dat ongeveer bij de grensovergang uitkwam in de Leecke. De Nietapster Rythe was door de monniken verbreed en aangepast voor de afvoer van turf.

De ruzie liep zo hoog op dat een aantal Vredewolder boeren naar de turfafgraving van de monniken trok om de turf in de petgaten te gooien. Bij dit conflict kregen de boeren steun van Wigbolt van Ewsum, die zelf ook belangen had in de veengronden. Van Ewsum had namelijk plannen om de exploitatie van turf groot aan te pakken en had zich inmiddels gevestigd op de 'Nije Oort' (Nienoord) te Midwolde.

In 1550 werd op het kerkhof van Tolbert een vergadering belegd waarbij Christoffel van Ewsum als vertegenwoordiger van Nienoord, de volmacht kreeg van de Vredewolders om te onderhandelen met de monniken. Pas negen jaar later, op 22 oktober 1559 werd de grens definitief getrokken.

Met het verval van de Abdij in Aduard, die in 1580 geheel afbrandde, liepen ook de gloriejaren van Terheijl ten einde. Na de Reformatie kregen de Gedeputeerde Staten van Stad en Lande het beheer over alle kloostergoederen van Aduard. De vroegere proost van het klooster te Schildwolde en jonkheer Johan Clant werden de beheerders van Terheijl. In 1612 werd Terheijl aangekocht door de stad Groningen, die het landgoed echter in 1626 uit geldnood verkocht aan Caspar van Ewsum, de zoon van Wigbolt.

Vanwege de bijzondere verdiensten van Caspar van Ewsum kreeg Terheijl in 1632 de status van Havezathe.

==Bronnen==
Bron(nen):